• English

Nieuws

29
sep

Verschil renterisico pensioenfondsen België en Nederland

Sinds een aantal jaren hebben wij in Nederland het marktwaardedenken. Een prima ontwikkeling om zo de beide kanten van de balans van een pensioenfonds te waarderen. Eén van de grootste risico’s bij Nederlandse pensioenfondsen is het renterisico.

In Nederland dienen de verplichtingen van Nederlandse pensioenfondsen gewaardeerd te worden op basis van het Financieel Toetsingskader (FTK).

Marsha van Beusekom, Aon Hewitt.

Het FTK geeft aan dat de verplichtingen moeten worden gewaardeerd op basis van de DNB-curve. De DNB-curve is gebaseerd op de marktrente tot 20 jaar en daarna wordt de curve gebaseerd op een 120-maands- gemiddeld rente. Nederlandse pensioenfondsen dekken in het algemeen het renterisico af door in de beleggingsportefeuille rentegevoelige instrumenten op te nemen. Hierdoor verandert de waarde van de beleggingsportefeuille in dezelfde richting als de waarde van de verplichtingen. Wel is het renteafdekkingsbeleid bij de Nederlandse pensioenfondsen verschillend. Op basis van een enquête van DNB wordt het rente- risico in Nederland gemiddeld voor 60% (ongewogen gemiddelde) afgedekt¹). In België dient de waardering te geschieden volgens de Belgische wetgeving. als een Nederlands pensioenfonds overgaat naar België zal het renterisico daarom op een andere manier ingekleed worden.

In België wordt de voorziening zodanig bepaald dat de toezeggingen op lange termijn kunnen worden na- gekomen. Deze langetermijnvoorziening wordt dan ook gebaseerd op een verwacht rendement behorend bij het beleggingsbeleid plus een buffer. Dit is dus anders dan in Nederland, waar het beleggingsbeleid juist wordt ingegeven door de regelgeving. Daarnaast is er in België een minimumvoorziening die wordt gebaseerd op de sociale wetgeving in Nederland (kortetermijnvoorziening). De korte termijnvoorziening houdt in dat voor alle deelnemers en gewezen deelnemers de overdrachtswaarde volgens de regelgeving van het wettelijk recht op individuele waardeoverdracht aanwezig moet zijn. Hierbij wordt de 25 jaars-DNB-rente gevolgd, zoals deze wordt vastgesteld per 30 september van het vorige jaar.

Waardeverandering verplichtingen

Zoals hierboven aangegeven reageren de waarde van de verplichtingen op basis van marktwaardering in Nederland en onder de Belgische wetgeving op een geheel andere wijze. In tabel1²) wordt weergegeven wat de invloed is van een wijziging van de rente in Nederland en België. Hierbij is een aantal uitgangspunten gehanteerd (zie eindnoten).

In tabel 1 is te zien dat de verplichtingen in Nederland volatieler zijn dan de waarde van de verplichtingen in België. De reden hiervoor is dat in België bij een stijging van de rente op een bepaald moment de rente niet meer bepalend is, aangezien de waarde van de verplichtingen dan volledig bepaald wordt door het verwachte rendement. Zoals hierboven aangegeven wordt in Nederland wel de swap-curve gebruikt voor de bepaling van de waarde van de verplichtingen.

Tabel 1: Waardeveranderingn van de verplichtingen door wijziging in de rente.

 

Waardeverandering beleggingsportefeuille

De vastrentendewaarde van de beleggingen zijn in Nederland zeer afhankelijk van de rente. In tabel 2 wordt weergegeven wat de procentuele waardeverandering van de beleggingen is als de rente wijzigt. Hierbij is ervan uitgegaan dat er geen rendement wordt behaald op de rest van de portefeuille zoals bijvoorbeeld aandelen. Bij een hogere duratie van de totale portefeuille zal de waardeverandering van de beleggingen groter zijn.

Tabel 2: Waardeverandering van de beleggingen met verschillende duraties door wijziging in de rente.

 

Dit is ook te zien in tabel 2 waarbij een duratie van 20 met een renteverandering van 1% de waarde van de totale portefeuille met 20% wijzigt.

Verandering  dekkingsgraad

Zoals in tabel 1 weergegeven, bewegen de verplichtingen in België op een andere manier. Hierdoor dienen de beleggingen voor het renterisico op een andere manier ingevuld te worden dan in Nederland. In Nederland hebben veel pensioenfondsen een groot gedeelte van dit risico afgedekt, aangezien de verplichtingen sterk afhankelijk zijn van deze rente. In België is de waarde van de verplichtingen lager gecorreleerd met de rente. In tabel 3 wordt de verandering in dekkingsgraad weergegeven op basis van een renteverandering en op basis van twee verschillende duraties voor de gehele beleggingsportefeuille. De beleggingen met een duratie van 15 (en verplichtingen zoals aangegeven in tabel 1 met een duratie van 20) laten dan ook bij een stijging van de rente in Nederland een stijging van de dekkingsgraad zien. maar in België laat een stijging van de rente juist een daling van de dekkingsgraad zien. Bij een lagere duratie laat de dekkingsgraad in België een geleidelijker verloop zien, aangezien bij een stijging van de rente de dekkingsgraad stijgt en  bij een daling van de rente de dekkingsgraad daalt. Bij een stijging van de rente met 1% met een duratie van 15 jaar voor de beleggingen zal de dekkingsgraad in Nederland stijgen met 6,3% en in België met 10,5% dalen.

Samenvatting

Het renterisico is in België op een andere manier aanwezig. In België zal de duratie in de vastrentende waardenfondsen lager zijn dan in Nederland om de volgende redenen:

  • In het Belgisch toezichtskader is de rentegevoeligheid van de verplichtingen slechts beperkt aangezien voor een deel van de verplichtingen geen rentegevoeligheid bestaat (gepensioneerden). Daarnaast bestaat er voor actieven en gewezen deelnemers een maximum, namelijk de hoogte van de waarde van de voorziening bepaald op basis van het verwacht rendement of de overdrachtsrente.
  • Een grote afdekking van het renterisico met symmetrische beleggingsproducten kan leiden tot een overgevoeligheid voor rentestijgingen. In feite komt dat neer op een speculatie op een rentedaling.
Tabel 3: Waardeverandering van de dekkingsgraad net verschillende duraties door wijziging in de rente. Uitgangspunt is huidige dekkingsgraad van 100%.

-----------

¹) Renteafdekking van pensioenfondsen, De Nederlandse Bank.

²) Bij de berekening is uitgegaan van een deelnemersbestand met 1/3 gepensioneerden met een duratie van de verplichtingen van 20 jaar op basis van marktwaardering. Daarnaast is bij de bepaling van de waardeverandering van de verplichtingen uitgegaan van -duratie x rentemutatie.